De afgelopen decennia heeft de politiek alles wat gezamenlijk en publiek was, hardvochtig verkwanseld aan de vrije markt. 

De kaalslag en puinhopen overziend moet mij vooral van het hart dat ik de geborgenheid mis van het wij-gevoel dat ooit zo gewoon was dat wij niet eens wisten dat we het hadden. Je mist het pas als je het kwijt bent. Wij. Gezellig, dat uniek Nederlandse woord, bestaat dat nog? 

Onderwijs, defensie, politie en zorg zijn uitgekleed tot op het bot. Dat linoleum overal, zeker teken van nette armoede; dat zie je niet in bankgebouwen. En hun computers en software zijn zó van het jaar nul dat je je plaatsvervangend doodschaamt voor je eigen land. Ik heb met elk van deze organisaties gewerkt en geneerde me telkens weer diep voor de troep waarmee men daar zijn beroep moet uitoefenen. En hé, dit zijn organisaties, geen bedrijven! Organisaties zonder winstoogmerk. Op de vrije markt hadden zij evenveel kans als een schaap in een roedel wolven.

Ons wij-gevoel is opgeofferd aan de vrije markt maar zonder wij-gevoel is het leven een wedstrijd. Dan zijn wij geen medemensen maar concurrenten van elkaar. Dan wil ik van jou winnen en jij van mij. Daarom roep ik het hier op mijn hardst voor eens en altijd: competitie hoort thuis in de sport. Dat is met goede reden want zomaar losgelaten op de samenleving, zonder scheidsrechters en spelregels en zonder de prachtige tradities van sport, bakken wij er helemaal niets van. Dan trekken wij niet eens lijnen rond het veld zodat elke wedstrijd vanzelf ontaardt in alles wat mensen lelijk maakt. Ik wens je een burn-out met slapeloze nachten in barre eenzaamheid - sorry, dat floepte er zomaar uit. Prettige wedstrijd natuurlijk.