Bij het leveren van een prestatie is je aandacht gericht op nu. Dan gaat het om de kwaliteit van je handelingen.
Bij het behalen van een resultaat is je aandacht gericht op de toekomst. Dan gaat het om de uitslag.
‘Hoe was de wedstrijd?’ ‘2-1 gewonnen.’
Als je dezelfde vraag stelt aan een sporter met beginnersgeest, krijg je een heel ander antwoord.
Wakker geworden met ‘wedstrijd vandaag’. Meteen al een tikje opgewonden. Ontbeten in stilte, doe maar vloeibaar. Tas controleren en op weg gaan. Aankomen, de vrijwilligers gedag zeggen, je team, de geintjes in de kleedkamer, de coach. En de wedstrijd, gekkenhuis man, je dacht dat je zou ontploffen. Als je dat allemaal zou vertellen, was de uitslag er maar een klein onderdeel van. Wel belangrijk, maar klein.
In een resultaatstaat heerst de verschraalde perceptie van de uitslag. Alle leven is eruit gezogen, het is de ordening van een boekhouder die achteraf over de ervaring wordt gelegd. In de resultaatstaat let men op de prijs, niet op de waarde. Schoonheid, plezier of het pure genoegen van een ontmoeting tellen niet, alleen de kiloknaller: '2-1 gewonnen’. Als je vaak genoeg zo denkt, beleef je die verschraalde perceptie ook tijdens de prestatie.
Men zegt dat wij moeten presteren maar van de baas hoef je alleen maar je targets te halen. Die is niet geïnteresseerd in de kwaliteit van handelingen, die wil resultaten zien. Je hoeft niet te presteren, zolang je maar wint. Je hoeft dus ook niet net te doen of jouw burn-out een gevolg is van dwang om te presteren, je kunt ook gewoon toegeven dat de resultaatstaat je te pakken heeft.
In deze resultaatstaat staat onze aandacht permanent een fractie uit het lood. Eerst nog even dit, dan ben ik klaar. Wacht, een momentje nog, als ik dit voor elkaar heb dan... kan ik beginnen. Waarmee? Met leven. Eerst nog even dit, dan kan ik beginnen met leven. De manana utopie: altijd op weg zijn maar nooit aankomen. Morgen gratis bier, maar morgen is het altijd weer nu, dat valt zo tegen.
Dag in dag uit nuttig en efficiënt op niks af pezen - vind je het gek dat de pijn van gemis aan je vreet? Het volgende moment is meer waard dan het huidige? Dan loop je nu je leven mis. Klaar zijn met jezelf en nergens heen hoeven, die instelling bewaren we voor de vakantie. Nu is alleen voor de vakantie, morgen is voor nu. Ja lees nog maar eens - wat ik zei: permanent een fractie uit het lood. Heel verwarrend.
Het valt niet mee om de pijn van gemis te duiden. Een gat in jezelf zoals bij rouw, maar subtieler. Waziger ook, moeilijk om de vinger op te leggen. Ik mis iets, mijn leven is niet zoals ik stil vermoed dat het zou kunnen zijn. Zou behóren te zijn, wellicht. Altijd fluisterend aanwezig, maar soms ook luidkeels zodat je het moet verbergen voor anderen. Daar helpt geen chocola tegen en geen seks, zelfs een nieuwe auto helpt maar even. Een nieuwe vriendin dan? Er ontbreekt nog steeds iets. Shit, ìk ben niet heel.
Je zelfspraak wordt onstuitbaar met de pijn van gemis. We houden het goed verborgen maar we weten het allemaal. ‘Kun jij stoppen met denken? ‘Nee, ik zou niet weten hoe. Moet dat dan?’
In de oudheid, voor de smartphone, werd oma zonder pardon in het gesticht geplaatst als ze in zichzelf begon te praten – ik weet het nog goed, we hadden de erfenis al verdeeld. Nu doet iedereen dat en mogen wij meegenieten op social media. Ik vind, ik vind wat jij niet vindt; lekker belangrijk. Hadden ze bij Facebook de Tao Te King maar gelezen: likes and dislikes are diseases of the mind.
Met mijn oor bij zijn mond luister ik naar de woorden van de stervende. Je weet maar nooit, misschien onthult hij me het geheim van het leven. ‘Ik vind’, fluistert hij, ‘dat zebrapaden...’ en blaast zijn laatste adem uit. Ik ook, ik ook, dat vind ik ook! Zebrapaden! En racisme! Shit, vergeet ik de plofkippen.
Het perpetuum mobile van malende zelfspraak is hét symptoom van de pijn van gemis.
Er ontbreekt iets, wacht maar, ik begin zo – maar intussen ben je kwetsbaar voor faalangst en depressies want van ‘ik mis iets’ naar ‘er is iets mis met mij’, is maar een kleine stap.
En voor stress. O ja, ook stress. Een burn-out ontstaat niet door werkdruk zoals zo vaak wordt betoogd, want in de vorige eeuw werkten wij veel harder, echt waar, met evenveel deadlines en op slechtere stoelen in panden zonder klimaatregeling onder kil TL licht. Ook komt het niet door corona, want de Spaanse griep begin vorige eeuw was gruwelijker en mensen kregen toen geen depressie of burn-out maar stikten keurig, zonder bezoek en zonder vaccin in de daartoe bestemde barakken. Je keek opzij hoe je buurman stikte en wist: zo meteen ben ik aan de beurt – maar goed, old school, ik zal je niet vervelen.
Je krijgt een burn-out omdat je altijd op weg bent en nooit aankomt.
Natuurlijk, de pijn van gemis wordt versterkt door een cultuur van consumptie die ons dag in dag uit bombardeert met meer. Meer willen is normaal, wie genoeg heeft, is een rare. Wie heeft er nou genoeg? Ik wil drie keer per jaar op vakantie!
Zelfspraak versterkt de pijn van gemis en de pijn van gemis versterkt de zelfspraak – dat is zo ongeveer de definitie van een neurose. Wat te doen?
Zorg eerst voor de kleintjes. Leer kinderen mediteren op school, daar moeten ze toch al opletten. Nieuw vak, elke dag een tijdje opletten, op hun adem. Of twee tijdjes. Of weet je wat, laat ze het lekker zelf uitzoeken met hun leraren, zonder bemoeienis van ouders. En kijk daarna bewonderend toe hoe zij kunnen stoppen met ‘denken’, gewoon als ze daar zin in hebben, hun hele leven lang op elk moment van de dag.
‘Als elke 8-jarige in de wereld meditatie zou leren, elimineren we geweld van de planeet binnen één generatie’ - Dalai Lama.
Ja, dat ook, ik wou er niet meteen over beginnen.
En twee, ga zelf lekker veel sporten of doe andere inspirerende dingen, als je maar zo vaak mogelijk in concentratie komt. Want dat is zó gek, in concentratie houden alle mentale problemen op te bestaan. Ineens zijn ze weg. Spoorloos. Waar je ook last van had, foetsie. Waarheen? Mysterie. Foetsie is een diep mysterie. In concentratie ben je heel, ontbreekt het je aan niets, vergeet je de tijd en heb je lol van het pure soort. Ga spelen, niks pijn van gemis. Op het erepodium kijkt de winnaar geïrriteerd opzij: 'hé, ík heb gewonnen hoor!' Maar de oerkreet van de homo ludens overstemt hem met gemak.